-1- -2- -3- -4- -5- -6- -7- -8- -9- -10- -11- -12- -13- -14- -15- -16- -17- -18-
9-1
De Allerhoogste Heer zei: Mijn lieve Arjuna, omdat je niet jaloers bent, zal Ik je deze meest geheime kennis en de realisatie ervan onthullen. Als je die kent, zul je bevrijd worden van het lijden in de materiële wereld.
Uitleg: In dit vers begint Kṛṣṇa Arjuna de meest geheime spirituele leer te onderwijzen, die de hoogste vorm is van spirituele kennis en zelfrealisatie. Kṛṣṇa zegt dat hij dit aan Arjuna onthult omdat Arjuna niet jaloers is, wat wijst op Arjuna's zuivere hart en bereidheid om deze kennis te aanvaarden. Deze kennis en de realisatie ervan zullen Arjuna in staat stellen om zich te bevrijden van het lijden dat gepaard gaat met het materiële bestaan, en Arjuna wil nu de meest geheime kennis en de realisatie ervan leren kennen om bevrijd te worden van het lijden in de materiële wereld.
9-2
Deze kennis is de koning der kennis, het geheim der geheimen. Het is de zuiverste kennis en omdat het een directe ervaring van zelfrealisatie geeft, is het volmaakte kennis. Het is eeuwig en het beoefenen ervan is vreugdevol.
Uitleg: In dit vers geeft Kṛṣṇa een gedetailleerde beschrijving van de hoogste spirituele kennis die hij aan Arjuna onthult. Deze kennis is speciaal en onderscheidt zich door een aantal unieke eigenschappen.
9-3
Zij die zich niet met geloof aan deze dienst wijden, o overwinnaar van de vijanden, kunnen Mij niet bereiken. Daarom keren ze terug naar het pad van geboorte en dood in deze materiële wereld.
Uitleg: In dit vers geeft Kṛṣṇa aan dat mensen die geen geloof hebben in Zijn leer, gedoemd zijn om terug te keren naar de cyclus van geboorte en dood. Dit benadrukt het belang van geloof en toewijding op het pad naar spirituele bevrijding. Kṛṣṇa spreekt Arjuna aan als overwinnaar van de vijanden, waarmee hij aangeeft dat zelfs spirituele vijanden - ongeloof en twijfel - moeten worden overwonnen om het Goddelijke bewustzijn te bereiken.
9-4
Ik doordring heel dit universum in Mijn ongemanifesteerde vorm. Alle wezens zijn in Mij, maar Ik ben niet in hen.
Uitleg: In dit vers legt Krishna Zijn goddelijke aanwezigheid in het hele universum uit en Zijn relatie met de wezens. Hoewel het universum is doordrongen van goddelijke energie, is Krishna niet beperkt tot of gebonden aan individuele wezens. Hij overstijgt de materiële wereld en blijft ongemanifesteerd, maar tegelijkertijd bestaan alle wezens in Hem, maar Hij niet in hen.
9-5
En toch rust al wat geschapen is niet in Mij. Zie Mijn bovennatuurlijke macht! Hoewel Ik alle levende wezens in stand houd en overal ben, maak Ik geen deel uit van deze kosmische manifestatie, want Ik ben zelf de bron van de schepping.
Uitleg: Dit vers leert dat God alomtegenwoordig is, maar vrij van materiële banden. Door deze goddelijke paradox te begrijpen, kan men zich bevrijden van wereldse gehechtheid en streven naar spirituele eenheid met het Goddelijke. Het roept op tot het begrijpen van Gods aanwezigheid overal en tegelijkertijd te beseffen dat Hij alle materiële beperkingen te boven gaat, omdat Hij alle levende wezens in stand houdt en overal is, maar tegelijkertijd geen deel uitmaakt van deze kosmische manifestatie, omdat Hij de bron van de schepping is.
9-6
Zoals de machtige wind, die altijd in de lucht is, overal waait, zo weet dat alle geschapen wezens in Mij rusten.
Uitleg: In dit vers gebruikt Krishna een voorbeeld om Arjuna te helpen begrijpen hoe alle levende wezens in Hem bestaan, net zoals wind in de ruimte bestaat en tegelijkertijd vrij beweegt. Dit wijst op Krishna's alomtegenwoordige aard en Zijn vermogen om het universum in stand te houden met behoud van onafhankelijkheid ervan, en dit voorbeeld helpt Krishna's alomtegenwoordige aard en Zijn vermogen om het universum in stand te houden met behoud van onafhankelijkheid ervan te begrijpen.
9-7
O zoon van Kuntī, aan het einde van het tijdperk gaan alle materiële manifestaties Mijn natuur binnen, en aan het begin van een ander tijdperk schep Ik ze door Mijn kracht opnieuw.
Uitleg: In dit vers beschrijft Krishna de kosmische cyclus waarin de hele materiële wereld en alle levende wezens bestaan en verdwijnen. Hij legt uit dat aan het einde van de kosmische cyclus (aan het einde van een lange tijdsperiode) alle wezens terugkeren naar Zijn natuur en aan het begin van een nieuwe kosmische cyclus manifesteert Hij ze opnieuw.
9-8
De hele kosmische orde is aan Mij onderworpen. Op Mijn wil openbaart ze zichzelf keer op keer, en op Mijn wil wordt ze aan het eind vernietigd.
Uitleg: In dit vers legt Krishna verder uit hoe Hij het universum en alle levende wezens die onderworpen zijn aan de materiële natuur keer op keer schept. Dit proces verloopt cyclisch en de wezens bevinden zich in de macht van de natuur.
9-9
O Dhananjaya, al deze werken binden Mij niet. Ik ben altijd als onverschillig, transcendent voor deze materiële activiteiten.
Uitleg: In dit vers legt Krishna uit dat hoewel Hij de schepper en in stand houder van het universum is, Hij ongebonden en vrij blijft van deze activiteiten. Hij staat boven alle materiële activiteiten en hun gevolgen en behoudt Zijn goddelijke onafhankelijkheid en vrede. Krishna spreekt Arjuna aan als Dhananjaya ("veroveraar van rijkdommen"), eraan herinnerend dat ware rijkdom spirituele bevrijding is, niet materiële gehechtheid.
9-10
Deze materiële natuur, die een van Mijn energieën is, werkt onder Mijn leiding, o zoon van Kuntī, en schept alle bewegende en niet-bewegende wezens. Volgens haar wetten wordt deze manifestatie keer op keer geschapen en vernietigd.
Uitleg: Dit vers leert dat de cyclische ontwikkeling van het universum onder Gods leiding plaatsvindt. Alles wat gebeurt, houdt verband met goddelijk toezicht. Dit goddelijke toezicht is de reden dat het universum voortdurend verandert en evolueert. De mens moet zich realiseren dat de werking van de materiële natuur deel uitmaakt van het goddelijke plan en dat mensen deel uitmaken van dit plan. Door dit te begrijpen, kan men de goddelijke orde accepteren en streven naar eenheid met het Goddelijke, dat de materiële natuur een van Gods energieën is en onder Zijn leiding werkt. Krishna spreekt Arjuna aan als zoon van Kuntī om te wijzen op Arjuna's band met de erfenis van wijsheid en adel. Deze toespraak moedigt Arjuna ook aan om Krishna's goddelijke rol in het bestuur van het universum te begrijpen.
9-11
Dwazen bespotten Mij als Ik in menselijke vorm kom. Ze kennen Mijn transcendente natuur niet als de Allerhoogste Heer van al wat bestaat.
Uitleg: In dit vers wijst Krishna erop dat mensen die geen begrip hebben van Zijn goddelijke natuur Hem niet als God erkennen wanneer Hij in de materiële wereld in menselijke vorm verschijnt. Deze mensen slagen er niet in Zijn hoogste wezen en goddelijke transcendente natuur te zien.
9-12
Zij die zich op deze manier vergissen, hechten zich aan demonische en atheïstische opvattingen. In deze begoochelde toestand worden hun hoop op bevrijding, hun vruchtbare activiteiten en hun verworven kennis tenietgedaan.
Uitleg: Dit vers leert dat mensen die worden geleid door materiële verlangens geen spirituele volmaaktheid kunnen bereiken. Om illusie te vermijden, moet men begrip ontwikkelen voor het Goddelijke en de demonische aard vermijden die gebaseerd is op egoïsme en materialisme. Zij die de materiële illusie volgen en de goddelijke waarheid niet begrijpen, zijn gevangen in hun ijdele activiteiten en verlangens, en de hoop op bevrijding, hun vruchtbare activiteiten en hun verworven kennis van zulke mensen zullen tenietgaan. Zulke mensen bevinden zich onder de invloed van de demonische natuur en kunnen geen spiritueel begrip bereiken.
9-13
O Pārtha, zij die niet misleid zijn, de grote zielen, bevinden zich in de bescherming van de goddelijke natuur. Ze wijden zich volledig aan dienstbetoon, omdat ze Mij kennen als de Allerhoogste Persoonlijkheid van God, de oorspronkelijke en onvergankelijke.
Uitleg: In dit vers legt Krishna uit hoe de grote zielen handelen: zij die zich bewust zijn geworden van de goddelijke natuur en zich met volledige toewijding en de wil om Hem te dienen tot God hebben gewend. Deze mensen begrijpen dat Krishna de schepper van alle wezens en de onveranderlijke Heer is.
9-14
Steeds mijn glorie prijzend, onophoudelijk en met grote vastberadenheid strevend, zich voor Mij buigend, aanbidden deze verheven zielen Mij voortdurend met liefde.
Uitleg: In dit vers beschrijft Krishna de activiteiten en houding van degenen die volledig toegewijd zijn aan de Goddelijke dienst, en deze verheven zielen eren God voortdurend met liefde en toewijding. Deze mensen zijn voortdurend toegewijd aan de glorie en aanbidding van God en doen dit met een onwrikbare toewijding en diepe toewijding.
9-15
Anderen die zich bezighouden met offers, het ontwikkelen van kennis, aanbidden de Allerhoogste Heer als de enige zonder een tweede, zoals gemanifesteerd in verscheidenheid en als de kosmische vorm.
Uitleg: In dit vers beschrijft Krishna de verschillende benaderingen van hoe mensen het Goddelijke aanbidden, en deze benaderingen weerspiegelen verschillende niveaus van begrip en stadia van spirituele ontwikkeling. Deze benaderingen zijn verschillend, maar leiden allemaal naar dezelfde Goddelijke bron. Sommigen aanbidden God als één wezen, anderen zien diversiteit, terwijl weer anderen God begrijpen als het allesomvattende gezicht van het Universum. • Offeren met kennis – Het offer van kennis impliceert dat mensen hun materiële gehechtheden opofferen en kennis van het Goddelijke zoeken. Degenen die dit pad beoefenen, wijden zich aan het leren kennen van God door wijsheid en begrip. • Anderen aanbidden Mij – Krishna geeft aan dat mensen Hem op verschillende manieren aanbidden. Welke vorm van aanbidding ze ook kiezen, het leidt allemaal naar Hem. • Als de Ene – Sommige mensen begrijpen het Goddelijke als een uniforme kracht die ten grondslag ligt aan alle bestaan. Ze zien God als één ondeelbaar wezen. • Als de Veelzijdige – Anderen zien de diversiteit van het Goddelijke. Ze zien God als verschillende vormen en aspecten die zich manifesteren in verschillende vormen, godheden of principes. • Als het gezicht van het Universum – Sommigen aanbidden God als de allesomvattende kracht die in het hele Universum aanwezig is. Ze zien God in de essentie van elke schepping en elk wezen. Dit vers laat zien dat Krishna alle vormen van aanbidding accepteert, of ze nu gebaseerd zijn op het principe van eenheid, diversiteit of een kosmische visie. Het benadrukt de allesomvattende aard van Krishna en zijn vermogen om verschillende geloofsovertuigingen en spirituele benaderingen te omvatten.
9-16
Maar het ritueel ben Ik, het offer ben Ik, de offerande aan de voorvaderen ben Ik, het geneeskrachtige kruid ben Ik, het transcendentale gezang ben Ik. Ik ben ook de boter, en Ik ben het vuur, en Ik ben de offergave.
Uitleg: In dit vers benadrukt Krishna zijn alomtegenwoordigheid en eenheid met alle offers en rituelen die worden uitgevoerd. Hij toont aan dat Hij de essentie van elke offergave en spirituele handeling is en aanwezig is in elk aspect ervan, dat Hij het hele ritueel, het offer, de offergave, enz. is.
9-17
Ik ben de vader van dit Universum, de moeder, de instandhouder en de grootvader. Ik ben het doel van kennis, de zuiveraar en de lettergreep Om. Ik ben ook de Rigveda, de Samaveda en de Yajurveda.
Uitleg: In dit vers benadrukt Krishna zijn alomtegenwoordigheid en allesomvattende aard. Hij legt uit dat Hij de basis en het basisprincipe is van de hele schepping, dat achter alle kennis, zegeningen en rituele praktijken schuilgaat.
9-18
Ik ben het doel, de instandhouder, de heer, de getuige, de verblijfplaats, de toevlucht en de dierbaarste vriend. Ik ben schepping en vernietiging, de basis van alles, de plaats van rust en het eeuwige zaad.
Uitleg: In dit vers wijst Krishna op zijn veelzijdige en alomtegenwoordige aard door te beschrijven hoe Hij de bron, de instandhouder, de getuige en de bestemming van alle dingen en het bestaan is. Hij toont zijn volkomen superioriteit en allesomvattende aanwezigheid.
9-19
O Arjuna, Ik geef hitte, Ik houd regen tegen en zend regen. Ik ben onsterfelijkheid, en Ik ben de gepersonifieerde dood. Zowel het zijn als het niet-zijn zijn in Mij.
Uitleg: In dit vers legt Krishna uit hoe Hij verantwoordelijk is voor alle cycli van de natuur en het bestaan, en Hij is zowel het zijn als het niet-zijn en alles bevindt zich in Hem. Hij is aanwezig in zowel het scheppings- als het vernietigingsproces, en zijn aard omvat alles, van de fysieke wereld tot onsterfelijkheid en dood.
9-20
Zij die de Veda's bestuderen en de goddelijke drank drinken, verlangend naar planeten waar hemelse wezens wonen, aanbidden Mij indirect. Gezuiverd van zondige gevolgen worden ze geboren op de vrome planeet waar ze van goddelijke genoegens genieten.
Uitleg: In dit vers legt Krishna uit dat mensen die de drie Veda's hebben geleerd en rituelen en offers uitvoeren op zoek naar het hemelse koninkrijk, in de hemel worden beloond en genieten van goddelijke genoegens, en ze aanbidden God indirect. Deze mensen zoeken echter alleen tijdelijke voordelen in het hemelse koninkrijk, wat tijdelijk genot is, in plaats van eeuwige bevrijding.
9-21
Zo, na de uitgebreide hemelse zintuiglijke genoegens te hebben genoten en de vruchten van hun vrome daden te hebben uitgeput, keren ze terug naar deze planeet van sterfelijken. Zij die zintuiglijk genot zoeken door de principes van de drie Veda's te volgen, bereiken slechts herhaalde geboorte en dood.
Uitleg: In dit vers legt Krishna uit dat degenen die de Vedische rituelen volgen en offers brengen om de hemelse wereld te bereiken, genieten van de hemelse geneugten, maar deze geneugten zijn van voorbijgaande aard. Als hun verdiensten zijn uitgeput, keren ze terug naar de sterfelijke wereld en nemen ze weer deel aan de cyclus van geboorte en dood.
9-22
Maar voor degenen die Mij altijd aanbidden met onverdeelde toewijding, Mijn transcendentale vorm overdenkend – voor hen breng Ik wat ze missen en behoud Ik wat ze hebben.
Uitleg: In dit vers benadrukt Krishna zijn belofte aan degenen die Hem met een onverdeelde geest en volledige toewijding dienen, dat Hij voor hun behoeften zorgt en zowel spiritueel als materieel welzijn verzekert. Hij geeft aan dat hij voor hun behoeften zorgt en zowel spiritueel als materieel welzijn verzekert.
9-23
Zij die met geloof andere goden dienen, o zoon van Kuntī, aanbidden in feite Mij, maar ze doen het verkeerd.
Uitleg: Dit vers leert dat hoewel mensen verschillende godheden met geloof kunnen aanbidden, de meest volledige weg directe aanbidding van de Goddelijke bron is – Krishna, en deze aanbidding is niet correct omdat ze niet rechtstreeks gericht is op de Allerhoogste Heer. Zelfs als alle goden deel uitmaken van Krishna's manifestaties, leidt directe toewijding aan Hem tot volledige zegeningen en spirituele bevrijding. Hun aanbidding is echter niet volledig omdat deze niet op de juiste manier plaatsvindt, namelijk door Krishna rechtstreeks als de hoogste God aan te spreken.
9-24
Ik ben de genieter van alle offers en de Heer, maar zij die Mij in werkelijkheid niet kennen, dwalen af.
Uitleg: In dit vers legt Krishna uit dat Hij de uiteindelijke ontvanger en genieter is van alle offers en rituelen, maar dat mensen zich daar niet van bewust zijn. Hierdoor dwalen ze af van het ware spirituele pad, omdat ze niet begrijpen dat al hun handelingen gericht zijn op de Goddelijke bron – Krishna.
9-25
Zij die de goden aanbidden, zullen onder de goden geboren worden; zij die de voorouders aanbidden, zullen naar de voorouders gaan; zij die geesten en spoken aanbidden, zullen onder die wezens geboren worden; en zij die Mij aanbidden, zullen bij Mij wonen.
Uitleg: In dit vers legt Krishna uit dat men het doel bereikt waarnaar men streeft en wat men aanbidt, dat zij die verschillende wezens aanbidden het niveau van die wezens bereiken, maar dat zij die Krishna aanbidden Zijn eeuwige woonplaats bereiken. Verschillende objecten van aanbidding leiden tot verschillende bestemmingen, en afhankelijk van wat men aanbidt, bereikt men de bijbehorende plaats of het bijbehorende wezen.
9-26
Als iemand Mij met toewijding een blad, een bloem, een vrucht of water aanbiedt, neem Ik dat offer aan van degene wiens hart zuiver is.
Uitleg: In dit vers legt Krishna uit dat zelfs het eenvoudigste offer, als het met toewijding en een zuiver hart wordt gedaan, met vreugde wordt aanvaard. Deze gedachte benadrukt dat het Goddelijke geen dure of gecompliceerde offers vereist, maar eerder oprechte toewijding en liefde. Deze gedachte nodigt uit tot het beoefenen van onbaatzuchtige dienstbaarheid en vertrouwen in God, in plaats van te focussen op materiële waarden, wat aangeeft dat niet de materiële waarde van de gave belangrijk is voor God, maar de liefde en toewijding waarmee deze wordt gegeven.
9-27
O zoon van Kuntī, wat je ook doet, wat je ook eet, wat je ook offert of weggeeft, welke ascese je ook verricht – doe dit alles als een offer aan Mij.
Uitleg: In dit vers geeft Krishna aan dat alle handelingen van de mens – of ze nu alledaags of heilig zijn – ter ere van God zouden moeten worden verricht. Dit betekent dat het hele leven van een persoon een spirituele praktijk kan worden als hij het doet met de intentie zijn daden aan het Goddelijke te wijden.
9-28
Op die manier zul je bevrijd worden van de banden van de actie en haar goede en slechte vruchten. Met dit principe van onthechting in je geest zul je bevrijd worden en tot Mij komen.
Uitleg: In dit vers leert Krishna hoe men zich kan bevrijden van de banden van de actie, die hem binden aan zowel gunstige als ongunstige gevolgen van handelingen. Bevrijding vindt plaats door het afstand doen van egoïstische verlangens en spirituele discipline (eenheid met het Goddelijke). Wanneer de geest van een persoon één wordt met God, bereikt hij spirituele vrijheid en Goddelijk bewustzijn.
9-29
Ik ben gelijkgezind tegenover alle wezens; Ik heb noch een hekel aan iemand, noch is iemand Mij bijzonder dierbaar. Maar zij die Mij met toewijding aanbidden, zijn in Mij, en Ik ben in hen.
Uitleg: Dit vers leert dat hoewel God gelijk is tegenover iedereen, ware toewijding en aanbidding een speciale band met het Goddelijke creëren, dat zij die God met toewijding aanbidden in Hem zijn, en Hij in hen. Zij die met hun hart aanbidden, kunnen Gods aanwezigheid in hun leven voelen en eenheid met Hem voelen. Toewijding is de sleutel tot spirituele eenheid met Krishna.
9-30
Zelfs als iemand de grootste zonden begaat, maar zich bezighoudt met toegewijde dienst, moet hij als heilig worden beschouwd, omdat hij vastbesloten is het juiste pad te bewandelen.
Uitleg: Dit vers leert dat geen enkel verleden de spirituele ontwikkeling van een persoon kan belemmeren als hij zich met volledige toewijding aan het volgen van God verbindt, dat zelfs de grootste zondaar heilig kan worden als hij zich oprecht aan God wijdt. Een persoon kan zich bevrijden van zijn fouten en een rechtvaardig persoon worden als zijn hart oprecht aan God is gewijd. Toewijding en zuiverheid van hart zijn de sleutel tot spirituele bevrijding.
9-31
Hij wordt snel rechtvaardig en bereikt blijvende vrede. O zoon van Kuntī, verkondig met zekerheid dat Mijn bhakta nooit verloren gaat.
Uitleg: In dit vers benadrukt Krishna dat zelfs degenen die in het verleden fouten hebben gemaakt of slecht hebben gehandeld, als ze zich met volledige toewijding aan God wijden, snel rechtvaardig worden en eeuwige vrede bereiken. De toegewijde, of bhakta, die terugkeert naar het Goddelijke pad, wordt bevrijd van zijn fouten en bereikt de Goddelijke zegen. Krishna verzekert dat Zijn toegewijde nooit verloren gaat en niet ten onder gaat, omdat zij worden beschermd en geleid.
9-32
O Pārtha, zij die hun toevlucht tot Mij nemen, ongeacht hun afkomst – vrouwen, handelaren, arbeiders of zelfs zij die in zondige families zijn geboren – kunnen het hoogste doel bereiken.
Uitleg: In dit vers legt Krishna uit dat de Goddelijke genade voor iedereen beschikbaar is, ongeacht hun geboorte of sociale status, dat zelfs zij die traditioneel als minder bevoorrechte groepen in de samenleving worden beschouwd, het hoogste spirituele doel kunnen bereiken, zolang ze hun toevlucht zoeken in Krishna. Kaste, geslacht of maatschappelijke rol beperken de mogelijkheden om het spirituele doel te bereiken niet, zolang men zich met toewijding tot Krishna wendt. Krishna spreekt Arjuna aan als Pārtha om te benadrukken dat de toegewijde van God uit elke laag van de bevolking kan komen en dat zij allemaal gelijk zijn op het spirituele pad.
9-33
Hoeveel te meer dan de rechtvaardigen, de priesters, de toegewijden en de heilige heersers, die in deze vergankelijke, met lijden gevulde wereld Mij dienen met liefde en toewijding.
Uitleg: In dit vers benadrukt Krishna dat zelfs geestelijken en koninklijke wijzen (heilige heersers), die hoog in aanzien staan in de samenleving en spiritueel ontwikkeld zijn, worden opgeroepen om zich aan de aanbidding van God te wijden, dat als zulke hooggeplaatste personen al hun toevlucht tot God nemen, hoeveel te meer gewone mensen die in deze tijdelijke en met lijden gevulde wereld leven. Als zulke mensen, die als heilig en wijs worden beschouwd, God aanbidden, dan kan en moet ieder ander dat ook doen, vooral gezien de tijdelijke en met lijden gevulde aard van de wereld.
9-34
Denk altijd aan Mij, word Mijn toegewijde, aanbid Mij en buig je voor Mij neer. Door je volledig op Mij te richten, zul je zeker tot Mij komen.
Uitleg: In dit vers legt Krishna uit hoe iemand Hem kan bereiken en één kan worden met het Goddelijke. Dit vers onthult vier belangrijke praktijken die een persoon in staat stellen dichter bij God te komen en spirituele bevrijding te verkrijgen. • Denk altijd aan Mij – Krishna roept op tot een constante spirituele gerichtheid op Hem. Dit betekent voortdurende contemplatie en concentratie van gedachten op het Goddelijke. • Word Mijn toegewijde – De persoon moet een vereerder van Krishna zijn – met oprechte liefde en toewijding. Een toegewijde is iemand die leeft om God te dienen en één te zijn met Hem. • Aanbid Mij – Krishna moedigt mensen aan om Hem te aanbidden, wat betekent het uitvoeren van rituelen, spirituele praktijken en offers aan God met liefde en respect. Dit is de spirituele discipline van toewijding – een pad dat leidt tot spirituele groei door trouwe dienstbaarheid. • Buig je voor Mij neer – Krishna spoort Arjuna aan om voor Hem neer te buigen, wat nederigheid en volledig vertrouwen in God symboliseert. Neerbuigen voor God is een teken dat een persoon zijn ego opgeeft en zichzelf volledig aan God aanbiedt. Dit spirituele pad, gebaseerd op liefde en overgave, garandeert dat de persoon tot God zal komen, dat door zich volledig op Krishna te richten, de persoon zeker tot Hem zal komen. • Zo zul je tot Mij komen – Door deze vier praktijken te beoefenen, zal de persoon God bereiken en zich met Hem verenigen. Dit is het pad naar Goddelijk bewustzijn en bevrijding van materiële bindingen. • Want Ik ben je ultieme doel – Krishna benadrukt dat als het ultieme doel van een persoon God is, hij zeker Goddelijk bewustzijn zal bereiken.
-1- -2- -3- -4- -5- -6- -7- -8- -9- -10- -11- -12- -13- -14- -15- -16- -17- -18-